klimaatophol.eu.pn - vertalingen

De hoop voorbij

Beyond hope (originele Engelse versie onderaan) 

Derrick Jensen

blauwe kat UIT MILIEUBEWUSTE HOEK hoor ik steeds vaker Het is om zeep. Vele activisten ageren met de moed der wanhoop, met gelijk welke middelen — of liever met gelijk welke legale middelen, of anders gezegd, met de middelen die de machthebbers hen toelaten te gebruiken, nog anders gezegd, de middelen die uiteindelijk niet effectief zijn. Ze hopen een stuk land te vrijwaren, de productie of het gebruik van giftige producten te verhinderen, of om geciviliseerde mensen te beletten bepaalde planten of diersoorten te kwellen. Soms gaat het letterlijk om het behoud van één enkele boom.

Mijn vriend John Osborn, een bekend activist, ziet zijn werk als volgt: “Het wordt allemaal wat chaotischer, maar ik probeer minstens een paar deuren open te houden. Zijn er binnen twintig, dertig of veertig jaar nog grizzlyberen, dan misschien over vijftig jaar ook nog. Maar als ze over twintig jaar verdwenen zijn, dan zijn ze voor altijd weg.”

Maar hoe hard we ons ook inspannen, het gaat de verkeerde kant uit. We verliezen terrein, op alle fronten. De machthebbers zijn vastbesloten de planeet te vernietigen, en het kan de meeste mensen niet schelen.

Eerlijk gezegd, veel hoop heb ik niet. Maar dat is een goede zaak.
Hoop bindt ons aan het systeem, dat kluwen van mensen, ideeën en principes dat de vernietiging van de Aarde veroorzaakt.

Om te beginnen is er die valse hoop dat het systeem plots uit zichzelf gaat veranderen. Of de technologie zal ons redden. Of de Almachtige Moeder. Of wezens van Alpha Centauri. Of Jezus Christus. Of de Kerstman. Al die valse hoop leidt tot inactiviteit, of nutteloos handelen. Een van de redenen waarom mijn moeder bij mijn agressieve vader bleef, was dat er in de jaren ’50 en ’60 geen vluchthuizen voor vrouwen bestonden. Maar een andere reden was dat ze bleef hopen dat hij zou veranderen. Valse hoop ketent ons vast aan onhoudbare situaties, en maakt ons blind voor reële alternatieven.

Gelooft iemand echt dat Weyerhaeuser (VS houtgigant) zal stoppen met ontbossen omdat we ’t vriendelijk vragen? Gelooft iemand echt datMonsanto zal stoppen zijn ding te doen, omdat we ’t vriendelijk vragen? Met een democratische president zou het anders zijn. Met die nieuwe wetgeving zou het in orde komen. Als we die wet afgeschaft krijgen, is het OK. Nonsens. Het komt niet in orde. Het is nu niet in orde, en het wordt eerder erger dan beter. En snel.

Maar het is niet enkel valse hoop die activisten aan het lijntje houdt. Het is de hoop zelf. Hoop, zo klinkt het, is het licht in de duisternis. Het licht aan het eind van een lange, donkere tunnel. Een lichtstraal in onze gevangeniscel. Onze reden om door te gaan, onze bescherming tegen wanhoop (want dat moeten we absoluut vermijden). Hoe kunnen we nu zonder hoop verder gaan?

We hebben geleerd dat hoop in een toekomstige situatie — zoals hoop in het hiernamaals — onze troost is en moet zijn voor zorgen in het heden. Je kent het verhaal van Pandora. Zij kreeg een gesloten kistje dat ze nooit mocht openen. Maar ze werd nieuwsgierig en opende het toch. En plots vlogen alle kwalen, zorgen en tegenslagen de wereld in. Geschrokken klapte ze het deksel dicht. In het kistje bleef slechts één ding over: hoop. Hoop, zo gaat het verhaal, was de enige goede remedie in het kistje tegen alle kwaad, en tot op vandaag is het de enige troost bij tegenslag. In plaats van iets te ondernemen bij tegenslag, al was het maar om er ons beter bij te voelen.

Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik vind dat hoop in Pandora’s kistje thuishoorde, samen met alle kwalen, zorgen en tegenslagen; dat het de machthebbers mooi uitkomt, net als het geloof in het hiernamaals; dat hoop echt niets meer is dan een seculiere manier om ons in de pas te laten lopen.

Hoop is in feite een vloek, een gif. Ik zeg dit niet alleen vanwege de mooie boeddhistische spreuk Hoop en angst bijten in elkaars staart, niet alleen omdat hoop ons afleidt van het heden, weg van wie en waar we nu zijn en naar een of andere toekomstige droomwereld. Want dat is wat hoop doet.

We jammeren bijna allemaal en bijna altijd over hoop. Je houdt het
niet voor mogelijk — of misschien wel — hoeveel tijdschriftuitgevers me hebben gevraagd over de apocalyps te schrijven, en dan een naschrift toevoegen om de lezers toch wat hoop te geven. Maar wat is hoop eigenlijk? Op een voordracht vorig jaar vroeg iemand me om een definitie. Ik kaatste de bal terug, en dit was de conclusie: hoop is een verlangen naar een toekomstige situatie waarop we geen vat hebben; je bent dus in feite machteloos.

Een voorbeeld: je zal me niet horen zeggen dat ik hoop morgen iets te eten. Ik doe het gewoon. Ik hoop niet nu meteen verder te ademen, of deze zin af te maken. Ik doe het gewoon. Maar ik hoop wel dat het vliegtuig waarmee ik volgende keer vertrek, niet zal neerstorten. Op iets hopen betekent dat zo’n iets buiten je macht ligt. Veel mensen hopen dat onze dominante cultuur de wereld niet langer vernietigt. Daarmee gaan ze ervan uit dat die vernietiging verder gaat, minstens op korte termijn, en dat ze zelf niet in staat zijn dat te stoppen.

Het overleven van de cohozalm is niet iets wat ik hoop: ik doe alles wat ik kan om ervoor te zorgen dat de dominante cultuur hen niet vernietigt. Als de cohozalm wil verdwijnen om wat hen aangedaan wordt — kan je ’t hen verwijten? — dan zal ik afscheid nemen en hen missen, maar als ze willen blijven, zal ik niet toelaten dat ze door onze beschaving uitsterven.

Zodra we beseffen welke invloed we echt kunnen uitoefenen, hoeven we helemaal niet meer te “hopen”. Dan doen we gewoon ons werk. We zorgen ervoor dat de zalm overleeft. We zorgen ervoor dat de prairiehond overleeft. We zorgen ervoor dat grizzlyberen overleven. We doen wat moet gedaan worden.

Zodra we stoppen met hopen op externe hulp, stoppen met hopen dat de huidige situatie vanzelf zal veranderen en niet zal verergeren, dan zijn we eindelijk vrij — echt vrij — om met het echte werk te beginnen. Anders gezegd: wanneer de hoop sterft, begint de actie.

SOMS VRAGEN MENSEN MIJ, “Als het zo slecht gaat, waarom pleeg je dan geen zelfmoord?” Het antwoord is dat het leven te mooi is. Het besef is dubbel: in mijn hart het besef dat de boel in feite om zeep is, en tegelijk dat het leven goed, echt goed is. Ik zit vol woede, zorgen, vreugde, liefde, haat, wanhoop, geluk, voldoening, frustratie, en nog duizend andere gevoelens. Ja, het is om zeep. Ja, het leven is echt mooi.

Veel mensen zijn bang voor wanhoop. Als ze voor zichzelf toegeven dat onze situatie echt hopeloos is, zo vrezen ze, dan worden ze permanent doodongelukkig. Ze vergeten daarbij dat je wel meer gevoelens tegelijk kan hebben. Ze vergeten ook dat wanhoop een perfect passende reactie is op een hopeloze situatie. Waarschijnlijk vrezen vele mensen ook dat, als ze voor zichzelf toegeven dat de situatie uitzichtloos is, ze dan verplicht zullen zijn om er iets aan te doen.

Een andere vraag die men mij soms ook stelt, is “Als de zaken er zo slecht voorstaan, waarom ga je dan niet feesten?” Wel, het korte antwoord is dat ik helemaal niet van party’s houd. Maar los daarvan, maak ik zo al genoeg plezier. Ik vind het leven best leuk. En dat geldt voor de meeste activisten die ik ken. We doen wat we graag doen, en we komen op voor mensen en zaken van wie we houden.

Ik heb weinig geduld met mensen die onze hopeloze situatie misbruiken als een excuus om niets te ondernemen. Als je hen dan dat excuus uit handen speelt, vinden ze wel een ander, en nog een ander, en nog een ander. Zo’n excuus gebruiken om niets te ondernemen — gelijk welk excuus om niets te doen — komt eigenlijk neer op een onvermogen om lief te hebben.

Op een van mijn laatste conferenties stelde iemand tijdens het vragenrondje dat de enige reden waarom mensen activist worden, is dat ze zich er zelf beter bij voelen. Of het allemaal helpt, is minder
belangrijk, stelde hij, en het is egoïstisch om te denken dat het
helpt.

Daar was ik het niet mee eens.
Voel je je dan niet beter bij activisme? Vroeg hij.

Uiteraard, zei ik, maar het is niet daarom dat ik het doe. Als ik me alleen goed wil voelen, kan ik net zo goed masturberen. Maar ik wil iets bereiken in de echte wereld.

Waarom?
Uit liefde. Liefde voor de zalmen, voor de bomen die ik vanuit mijn venster zie, voor de jonge visjes in een helder beekje, of de kleurige salamanders. En als je van iets of iemand houdt, dan wil je die ook verdedigen.
Natuurlijk doet het resultaat ertoe, maar het bepaalt niet of je al dan niet inzet. Je hoopt niet dat die dieren of bomen overleven
en gedijen. Je doet wat nodig is om ze te redden. Als ik het niet kan opbrengen ze te beschermen, kan ik niet beweren dat ik echt van ze houd.

ER GEBEURT IETS GEWELDIG wanneer je de hoop opgeeft: je beseft dat je die hoop eigenlijk helemaal niet nodig had. Je beseft dat je zonder hoop kan overleven. Dat je er niet minder efficiënt door wordt, eerder meer, omdat je niet langer op iets of iemand anders rekent om je probleem op te lossen — je stopt ermee te hopen dat je problemen op een of andere manier opgelost raken met de magische hulp van God, de Almachtige Moeder, de Sierra Club (VS milieu-organisatie), dappere boomhutbouwers, sterke zalmen, of zelfs de Aarde zelf — en je begint te doen wat nodig is om het probleem op te lossen.

Als je de hoop opgeeft, gebeurt er zelfs nog iets beter dan dat je het overleeft, namelijk dat je het in zekere zin niet overleeft. Je sterft een beetje. En het mooie aan dood zijn is dat zij — de machthebbers — je eigenlijk niets meer kunnen maken. Niet met mooie praatjes, niet met bedreigingen, niet met geweld. Als je in die zin “sterft”, kan je nog altijd zingen, dansen, liefhebben en ja, vechten — je kan dat allemaal nog omdat je nog leeft, meer leeft zelfs dan ooit tevoren. Je beseft dat, toen de hoop stierf, het niet je echte ik was dat dood ging, maar je oude ik dat afhankelijk was van je uitbuiters, dat geloofde dat die uitbuiters uit zichzelf zouden stoppen, dat geloofde in de mythes waarmee die uitbuiters hun gedrag vergemakkelijken en goedpraten. Je oude ik is een sociale
constructie, “geciviliseerd”. Die gefabriceerde, onechte, stereotiepe, aangepaste persoon sterft. Het slachtoffer sterft.

En wie blijft er over als dat oude ik dood is? Jijzelf. Het dier in jou. Je naakte ik. Kwetsbaar en tegelijk onkwetsbaar. Sterfelijk en tegelijk overlever. Je ik dat niet denkt wat het cultureel is aangeleerd te denken. Je ik dat niet voelt wat het cultureel is
aangeleerd te voelen. Je ik dat niet is wat het cultureel wordt verwacht te zijn, maar je echte ik. Je ik dat ja kan zeggen, maar ook nee. Je ik dat een deel is van het land waar je woont. Je ik dat gaat vechten (of niet) om alles in je omgeving te verdedigen. Omdat jouw en hun leven van die omgeving afhankelijk is. Je ik dat nu een ethiek koestert die niet is ingegeven door een cultuur die de planeet verwoest, die jou verwoest, maar een ethiek die opborrelt vanuit je dierlijke gevoelens van liefde en verbondenheid met mensen en omgeving — niet in hun culturele setting, maar als organismen die niet overleven zonder een natuurlijk milieu, een milieu dat ingepast werd in de noden van een bepaalde cultuur, en nu wordt vergiftigd en vernietigd.

Wanneer je de hoop opgeeft — en zo een beetje sterft maar tegelijk herleeft — dan ben je immuun voor het giftig mengsel van drogredenen en angst dat bijvoorbeeld de nazi’s wisten in te prenten bij Joden en tegenstanders, dat misbruikers zoals mijn vader opdrongen aan hun slachtoffers, dat de dominante cultuur ons allemaal inlepelt. Of is het eerder zo dat deze uitbuiters fysieke, sociale en emotionele omstandigheden zodanig weten te kaderen dat de slachtoffers zichzelf ervan overtuigen dat ze geen andere keuze hebben dan zich ernaar te schikken?

Maar als je de hoop opgeeft, is die uitbuiter/slachtoffer-relatie verbroken. Dan word je zoals de Joden die deelnamen aan de opstand van het getto in Warschau.

Wanneer je de hoop opgeeft, verlies je ook je angst.

En als je niet langer rekent op hoop, en effectief begint jouw geliefde mensen en omgeving te verdedigen, word je inderdaad erg
gevaarlijk voor de machthebbers.

En dat is een goede zaak, mocht je er nog aan twijfelen.


Derrick Jensen schreef Thought to Exist in the Wild, Songs
of the Dead
, Endgame, Dreams, en andere boeken. In 2008 werd hij een van Utne Reader’s “50 Visionaries Who Are Changing Your World.” Zijn column in Orion heet “Upping the Stakes.”

Bronnen :

NL-vertaling CC-BY-SA marvilia.eu.pn



Beyond hope